Pocket 
ISBN 90 414 0633 6
Niet meer leverbaar
Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel

De hoofdpersonen in de sociale romans van Yvonne Keuls, waarin fictie en werkelijkheid een hechte eenheid vormen, zijn geen zielige figuren. Het zijn in wezen sterke figuren die in een ellendige situatie zijn terechtgekomen. Thema's als leed en onmacht, angst, onwil en het grote gemis aan liefde, maar ook schuld en eigen verantwoordelijkheid worden met warmte behandeld.

In 1985 zorgde de publicatie van het boek Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel voor voorpaginanieuws. Alle kranten sprongen er bovenop, want het was de eerste keer dat iemand een kinderrechter aanklaagde voor pedofilie. Bij Justitie ontkende men toen de kranten om een reactie vroegen, maar men moest later toegeven dat er wel degelijk een kinderrechter was die pedofiele contacten onderhield met jonge delinquenten.
Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel

In het grote huis van Felix en Berthe werd een meisje geboren. Ze werd Annie genoemd, geliefde. Annie Berber, geliefde vreemdeling.
Die geliefde vreemdeling ben ik.
Mijn broers, van wie de jongste vier jaar ouder was dan ik, sjouwden met mij rond en verwenden mij. Ze waren zo dol op mij, dat ik me soms moest verstoppen om alleen te kunnen zijn. Ik verlangde daar erg naar.
Toen ik acht jaar was, nestelde ik mij in mijn klerenkast, als in een hol. Ik verborg mijn speelgoed daarin en men kon mij uren in de kast horen praten.
Soms duidelijk hoorbaar, omdat ik op ruzietoon van mij afbeet, want met al die oudere broers had ik wel geleerd me te verdedigen. Ik kon ook zachtjes voor me uit prevelen, dan vertelde ik mezelf wat me overkwam, improvisaties op hetzelfde thema: Ik was verloren geraakt, verdwaald in een groot bos, ik moest maar zien te overleven. Het was koud en vijandig donker en ik had alleen maar een poppedekentje om over mijn schouders te leggen. Maar gelukkig had ik 'mijn hol', waarin ik ook wat eten had, een boterham, een wortel of een appel.
Soms werd ik plotseling bang en dan trok ik het dekentje over mijn hoofd, en zo luisterde ik naar de geluiden in het huis. De geluiden die uit de kamer van mijn vader kwamen, vlak boven mijn hoofd. Voetstappen, gekuch, een vallend voorwerp. Daar woonde niet mijn vader, hield ik mezelf voor, daar woonde de boze meneer, die zijn gezicht nooit wilde laten zien omdat hij geen ogen had. Hij bedekte zijn gezicht met een bivakmuts, die hij achterstevoren droeg, zodat hij steeds moest kuchen.